Een zondag aan rivier
Een ontembare hang naar het rivierlandschap en het leven rondom deze voor ons land essentiële waterstroom, voerde me afgelopen zondag naar de Lekdijk. Een zwakte waaraan ik me een paar keer per jaar overgeef. Soms aangemoedigd door mijn hang naar de aan de rivier altijd zo weemoedig stemmende najaarsluchten die verwonderende clair-obscur-wolken opleveren. Je zou bijna kunnen vermoeden waarom de mens in primitievere tijden waarin natuurverschijnselen niet altijd rationeel te verklaren waren, er een mirakel in herkende als een zonnestraal door het wolkendek drong en als een nimbus zijn schijnsel over het sombere polderland en de zwaar zwoegende boeren wierp. Nog steeds zie je er kerkgangers in grauwzwart de zondagse gang gaan. De vrouwen soms met zwarte hoeden alsof het de laatste levensgang betreft. Je zou willen dat ook hier beschermd stadsgezicht toegepast wordt, ook al ben je zelf goddeloos. Zo goddeloos zelfs dat de Matthäus-Passion je bekoort om de schoonheid die ervan uitgaat, en niet om de sacrale betekenis die het bezit.
Maar een aprilmiddag biedt geheel andere stemmingen. En die van afgelopen zondag was er een van een levendig optimisme waarin het zuidelijk licht, waar vroeger Nederlandse schilders voor naar Frankrijk en Italië trokken om daar meteen het sombere palet van aardverfkleuren te bannen, helder overheerste.
De Hollandse grauwheid, die de landschapsschilderkunst toch zo karakteriseert, veranderde in een zee van verblijdende pastelkleuren die in het ceruleumblauw van de luchten en het coloriet van de flora samenvloeiden.
Die stemming was er zondag toen ik een landtong aan een uiterwaard bezocht om de vele indrukken die er zich aan mij opdrongen aan mijn waarneming toe te laten.
Een van levenslust bruisend rietgorsmannetje ging met zijn saaie maar markante gezang acrobatisch als een aapje van rietstengel naar rietstengel. Tussen het opkomende groen dat moerassige gronden belieft waren fleurige veldjes met dotterbloem opgekomen.
Terwijl de door lichte nevel gefilterde zon het sapgroen van het ontluikende loof en het botergeel van de dotterbloemen bescheen fladderde een dagpauwoog, in de drang na de winter ook het voorjaar te overleven, gulzig op de nog schaarse bloemenweelde af. En toen deze bruinrode vlinder mij met de ogen waarmee het de natuur hypnotiseert aankeek, stak het als een kind dat zich op een schoolreisje aan de ranja laaft een rietje in een dotterbloem om zich vol begeerte aan de nectar te wagen.
Die dag kabbelde het water in een lichte bries, liet het zonlicht het rivierwater rillend schitteren en werd het zelfs even te warm voor april. Zo’n zondag dus.
Filantroop
