Rosé
Wat wordt er toch verschrikkelijk geluld over rosé! Ik kan daar, als ik wil, wekelijks ruzie over krijgen. In Nederland was in de jaren dat ik daar nog woonde, het ‘roseetje’ bijzonder populair. Maar dit wilde niet zeggen dat de Nederlander iets van rosé wist of er een fijne smaak voor ontwikkeld had. Hij vond wel prettig dat het een soort alcoholische ranja was en daarmee basta. De doorgaans erg flauwe – en natuurlijk goedkope – Rosé d’Anjou voorzag volledig in de Nederlandse behoeften. Van fijnere rosés als die uit de Provence wist de Nederlander niets, om maar niet te spreken van Tavel (Côte-du-Rhône) of Bandol (Provence). Daarin is een kleine verbetering gekomen, maar ik zie bij de Nederlandse importeurs toch zelden dure rosés.
In Vlaanderen, waar ze toch wel iets meer van wijn begrijpen, heerst bijna een zelfde wanbegrip. De Vlaming denkt graag zoals de anderen denken, en herhaalt graag de argumenten die gangbaar zijn. Eigen onderzoek is hem vreemd. Dus je kunt niet met Vlamingen over rosé praten of binnen een minuut krijg je te horen dat dit ‘wel een aardige wijn is om bij een barbecue’ te drinken. Wanneer je al niet die enormiteit krijgt voorgeschoteld dat rosé ‘geen wijn, want geen wit en geen rood’ is. Daarmee is voor de Vlaming de zaak bevredigend afgehandeld.
Ik gruw van dat gebrek aan kennis en dat gebrek aan verfijning. Er zijn heel simpele rosés, maar ook heel bijzondere, die werkelijk niet alleen voor een hete zomerdag bij onelegant eten in aanmerking komen. Wie zich in de rosés gaat verdiepen – Spanje maakt ook heel mooie – zal ontdekken dat daarvoor soms flinke bedragen worden neergelegd en terecht. Neem een Domaine Ott uit de Provence. Het wijntijdschrift ‘Decanter’ heeft deze rosé tot de beste ter wereld uitgeroepen. Logisch dat hij niet goedkoop is. Hoewel de producent nu ook een goedkoop genre op de markt brengt, moet je voor een goede Ott toch wel een paar tientjes op tafel leggen. Het is het waard. De tere kleur van die wijn voorspelt al bijna wat je gaat proeven: iets oneindig delicaats. Wie hiervan niet houdt of er onverschillig aan voorbijgaat, toont aan dat hij geen smaak heeft. Maar helaas wordt er veel over wijn gepraat door mensen die inderdaad geen smaak hebben en voor wie wijnen met veel tannine en veel hout de top is – de ‘grote wijnkenner’ Robert Parker is een voorbeeld. In mijn ogen is dat iemand die nooit over de indrukken is heen gekomen die hij als student in Frankrijk opdeed. Beginnende wijndrinkers vallen voor zware wijnen – dat lijkt ze allemachtig serieus. Maar de ervaren drinker komt verder en stelt niet van die simpele eisen.
Er zijn verschillende manieren om rosé te maken. Twee erkende manieren zijn de volgende. Bij het begin van de productie kan men de rode druiven heel langzaam persen, om ze daarna de behandeling voor een witte wijn te laten ondergaan. En in een later stadium van de productie kan men tijdens de gisting het schilcontact korter maken dan bij rode wijn. Een neprosé kun je natuurlijk maken door rode en witte wijn te mengen. En uitgerekend de Europese Unie wilde beslissen dat deze productiemethode voortaan zou zijn toegestaan – een absurd voorstel dat gelukkig verontwaardigd afgewezen is. Ik heb de Eurocraten altijd als mensen gezien die veel geld verdienen en veel linkse praatjes hebben, maar die de levenskunst nog onder de knie moeten krijgen. In Brussel kon ik dat goed bestuderen. Lomp volk, hoor. Het duurde heel lang voordat je ze in Brussel in de betere winkels en restaurants ging zien. Ook de eethuizen direct rondom de Europese instellingen waren decennia lang van een diepe treurigheid: geen Belg zou er zijn gaan lunchen. Pas sinds een jaar of tien is er een lichte verbetering waarneembaar, maar geweldig is het nog steeds niet.
Rosé profiteert de laatste tijd wel een beetje van de populariteit van de oosterse keukens. Daarbij kan deze wijn namelijk uitstekend smaken. Maar neem je een dure, dan smaakt het natuurlijk uitstekender dan als je een goedkope neemt. En exotische restaurants hebben gewoonlijk de goedkope op de kaart staan. Arme rosé, maar ik blijf ‘m verdedigen.
Boudewijn van Houten (1939) is een Nederlandse schrijver die al sinds vele jaren in België woont. In 1970 debuteerde hij met Onze hoogmoed – het waargebeurde verhaal van een groep studenten die de PTT oplichtte. Andere bekende boeken van hem zijn Zoveel lol – een jaar in het studentencorps (herdrukt als De Ontgroening), Fout (de nuchtere balans van zijn jeugd in een collaborateursgezin) en Erotisch Dagboek. Van Houten bedrijft vele literaire genres. Recent verschenen Mijn auto’s (Een autobiografie) en Een lichtzinnig leven – beide uitgegeven door Aspekt.
